De vrouwelijke garnaalkruisters

gedurende de tweede wereldoorlog en zelfs tot in 1971 was nog één vrouwelijke garnaalkruister te Koksijde bedrijvig nl.MAES MADELEINE echtgenote van Weerbrouck Victor. Geboren te Bray-Duinen(de bakermat van deze visserij) op 9.5.1903, was zij woonachtig in een duinhuisje, gelegen Marie-Joséstraat 41, te St.-Idesbald.
Als KLEDIJ droegen zij een oud kostuum van hun echtgenoot. Onder dit kostuum bracht de visserin versleten dekens aan. Na twee uur kruien, vaak tot aan de borst in het water, waren zij nog niet nat op de huid. Anderen trokken ee drietal afgedragen mannenbroeken aan of een oliebroek en -jekker; ook soms in barre wintertijd een zuidwester, waarrond een halsdoek gebonden werd, zodat enkel de ogen vrij bleven. Enkele maakten gebruik van oude soldatenschoene of klompen, die naar het heet, het warmst waren in het water.
HET VISTUIG.
De vrouwen makten gebruik van het KRUI_ OF STEEKNET. Trok men naar, of kwam men van zee, dan werd de STOK uit de SCHEE genomen, aan dit laatste bevond zich het net. Deze stok legde men op de schee; het net met twee koorden werd over dit alles heen gerold, waarna het verhuisde in de WITTE RUGMAND(maximuminhoud 30kg.)
Een STEEKBARD (een houten plankje met een holte voor de stok), droeg de vrouw op de borst, vastgemaakt met een touwtje rond de hals. Hierin plaatste zij de top van de stok bij het voortduwen van het kruinet door het water.
HET VISSEN.
Het vissen geschiedde in de lente, zomer en herfst. Meestal van april tot juni; in september en oktober troffen zij kleine garnalen aan. Vanaf hun 10de jaar trokken destijds de meisjes zeewaarts. Vaak blootvoets gingen zij over de berijmde duinhillen – een tocht welke twintig minuten duurde. Dan werd een tweetal uren gekruid, zowel ’s nachts als overdag en dit ‘in alle weer’. Vaak zagen zij elkander niet in de duisternis.
Zij kruiden een uur vóór ‘laag water’ (ebbe) en een uur erna; dit gebeurde aldus tweemaal in 24 uur. Om de honderd à tweehonderd stappen ‘lichtte’ men het net. Wanneer de kruister de KUIL van het net in handen had, werd de inhoud uitgeschud in een vismand, die men aan de arm droeg.
Voortstappend en vissend, zifte de visserin de garnaal (verlezen). De vuilnis werd eruit geraapt, schelpen en zeewier verwijderd. De VERLEZEN GARNAAL werd achteraf over de schouder in de rugmand uitgestort. In mei, juni en juli vingen de vrouwen eveneens tongen.
Thuis gekomen werd de garnaal gekookt op een fornuis. Men wierp de garnaal in een ketel kokend water met zout, men roerde een tweetal keren. Bij ‘goed vuur’ stond het ‘zoodje’ amper vijf tot tien minuten op het fornuis. Wanneer alles gaar was, dreef de garnaal boven met het schuim van het water.
De vangst werd gedeeltelijk voor huishoudelijk gebruik aangewend. Men trok met het overige vanuit Bray-Duinen te voet naar de landbouwdorpen (o.m. Uksem) om de garnaalann de man te brengen. Loonde de opbrengst van het kruien de moeite, dan nam men de trein tot Rozendaal, vandaar ging het met de tram tot Duinkerke, waar men de garnaal ging uitventen of naar de mijn bracht.
Destijds kende men geen sociale wetgeving, gezien er gebrek aan werkgelegenheid was, moest men de zee ‘benerstigen’. Het eten en het ‘droge brood’ voor de kinderen haalde de vrouw uit de grote waterplas, zoals vele generaties het haar hadden voorgedaan.
Het kruien met het steeknet loopt ten einde. Van die harde jaren, waarin men enkel diende te rekenen op eigen wilskracht en vindingrijheid, hebbe de oude kruisters slechts de mooie zijden van het beroep onthouden. Zij waren hun ‘eigen baas’ en over hun gezondheid hebben ze niets dan lof. Door het gestadig kruien blijft men zo gezond als een haring. Het lichaam is op 65 jaar nog zo zuiver als een garnaal. Dat één hunner nog in 1950 verdronk in een diepe zwem vóór De Panne en een tweetal door de koude omkwamen in het water, achten zij het vermelden niet waard. Dergelijke bij tussenpozen voorkomende ongevallen, waren immers verbonden aan het beroep.

DAAROM GAAN ONZE STIENE STEEKERS IN ZEE…UN BAIN DE JEUNESSE!

bron: Bert Bijnens – de Strandvisserij te Bray-Duinen – Bachten de kupe 63 nr.3 blz.61-70